De moord op Jans(t)je Arendina Meinders te Bussum

Uit de Krant: Algemeen Handelsblad 14 maart 1895.RECHTSZAKEN. 

Voor de Vijfde Kamer der arrondissements rechtbank te dezer stede begon hedenmorgen te elf uur de behandeling der strafzaak tegen Henriette Johanna Momber, dienstbode, oud 21 jaar, en Hendrik Freierik Coelman, milicien bij het 2e reg. 5e comp. vesting artillerie, oud 20 jaar, beklaagd in den avond van 19 Aug. 1894 ingevolge «ene vooraf gemaakte afspraak te Bussum zich te hebben schuldig gemaakt aan het volgende: Bekl. Coelman, dat hij in de woning van den heer Imbertus Meinders aan de Nassaulaan gepoogd heeft deur van een behoorlijk gesloten muurkast met geweld te openen, met het oogmerk zich den inhoud toe te eigenen.

De uitvoering van dit voornemen werd echter door het weerstandsvermogen der sluiting verijdeld. Bekl. Momber, dat zij Coelman de gelegenheid heeft gegeven de bovengenoemde feiten te plegen, door de woning aan hare zorg en bewaking toevertrouwd met het aanwezige dochtertje des heeren Meinders, Jansje Arendina, te verlaten. Beide beklaagden hebben later na vooraf gaande afspraak, toen bekl. Momber met het meisje in het huis was teruggekeerd, getracht den mislukten diefstal te voltooien en het meisje met opzet door worging van het leven beroofd, opdat het kind hen niet zou verraden. Een en ander is gebeurd terwijl nog geen vijf jaren waren verloopeu sedert bekl. Momber wegens diefstal gevangenisstraf had ondergaan.

De rechtbank was samengesteld uit de heeren: mr. Meinesz, president; mrs. Van Imhoff en Beuns, rechters; Scholten, bijzittend rechter; O. M. de substituut-officier van justitie mr. Schimmelpenninck; substituut-griffier mr. Joh. W. Mulder, terwijl als verdedigers waren toegevoegd aan bekl. Momber, mr. A. H. Worst, aan bekl. Coelman, mr. W. A. Paap. Reeds om tien uur waren de getuigen, niet minder dan 61 in getal, behalve de getuigen a décharge, in het gerechtsgebouw aangekomen, doch zij moesten met de vertegenwoordigers der pers en eenige teekenaars nog
een uur geduld hebben vóór de zitting werd geopend.

De beklaagde dienstbode heeft geen ongunstig uiterlijk; zij is flink van gestalte, ziet ietwat bleek, draagt een geheel licht blauwe japon en jacket en een zwarten hoed met dito veer en witte boezelaar. De beklaagde Coelman is een jongman, wiens uiterlijk den misdadiger ook niet zou verraden. Hij is gekleed in de uniform van kanonnier der vesting artillerie. Nadat de gebruikelijke vragen naar ouderdom, enz. aan baklaagdon zijn gedaan en verschillende stukken, o. a. verklaringen van geneeskundigen, zg’n voorgelezen, gaat de president over tot het Verhoor van beklaagden.

Allereerst wordt de dienstbode verhoord, die daartoe vlak voor de rechterstafel plaats neemt, doch op de tot haar gerichte vragen zóó zacht antwoordt, dat veel van wat zij zegt op de plaats der verslaggevers niet is te volgen. In het kort bleek echter dat Henriette Momber sedert Juni 1891 bij den heer Meinders in dienst was en dat de heer Meinders in den ochtend van 19 Augustus reeds vroeg zijn woning had verlaten om naar Gouda en Delft te gaan. Zij had reeds eenigen tijd verkeering dief Coelman, die den dag te voren ook bij haar was geweest en den volgenden dag weder kwam.

De 12-jarige Jansje Meinders was daar, zeide beklaagde, niet erg gesticht over, daar het kind „iets tegen den vrijer scheen te hebben, omdat bekl. zich dan niet genoeg met haar kon bezighouden”, ‘s Middags heeft bekl. het meisje met een vriendinnetje uitgestuurd om wat lekkers te koopen; dat was tusschen vier uur en halfvijf en de kinderen bleven tot halfzes uit. In dien tusschentijd hebben  bekl. en haar vrijer over diefstal gesproken, wat, naar zg zeide, te voren nooit was gebeurd. Bekl. had tegen haar vrijer gezegd dat zij nu wel zou trachten haar meester te bestelen, en hij dan maar om zeven uur terug moest komen.

Coelman is heengegaan, doch, volgens bekl. half dronken teruggekomen, was hij kwaad dat bekl. den diefstal niet gepleegd had. Bekl. had dit niet durven doen, daar het dochtertje des heeren  Meinders, thuis gekomen, in de binnenkamer was gaan zitten. Coelman zeide. toen dat hij „het wel doen zou,” als dat kind maar weg was, waarom bekl. met het meisje naar het station is gegaan om te zien of de vader ook thuis zou komen. Dat was ongeveer acht uur en zij zouden wachten op den trein van 7.57. Bekl. is na de aankomst van dien trein met
het kind naar huis gegaan. Onderweg kwam men Coelman tegen, waarop beide beklaagden met het kind weder den weg naar het station teruggingen en bekl. en haar vrijer op het stationsplein samen praatten.

Coelman vertelde toen dat hij tevergeefs getracht had de kast open te krijgen en sprak af dat hij later weer terug zou komen. Dienstbode en kind gingen dus naar huis en naar de binnenkamer. Een oogenblik later hoorde men geritsel in de keuken en werd Jansje bang, waarop bekl. zeide wel eens te zullen gaan kijken. Zij vond haar vrijer in de keuken en is de trappen opgeloopen, eenigzins hard, opdat de vrijer haar ongemerkt zou kunnen volgen. Dit is echter niet gebeurd; Coelman is naar de kamer gegaan waar Jansje was en heeft de deur gesloten. Bekl. hoorde toen beneden leven en vond de deur dicht; na bonzen en stampen deed Coelman open en vond het kind, half zittende, half hangende op een sto… eea doek over het hoofd. Coelman beweerde dat het kind zich zelf verworgd had; hij is met haar naar boven gegaan en heeft toen tevergeefs getracht met een schaar de linnenkast, waarin het geld lag, open te breken. Bekl. heeft, toen Coelman vertrokken was, den buurman Van der Scheer geroepen en den dokter gehaald.

Eerst genoemde heeft dadelijk het kind losgesneden en het languit op den grond gelegd; bekl. had te voren nog getracht met water uit de keuken het kind bij te brengen. Bekl. beweert dat dit nu de werkellijke waarheid is. De president wijst bekl. op de tegenstrijdig verklaringen door haar voor den rechter-commissaris afgelegd.

„Het kind had geen schoentjes aan”, zegt de president, „hoe kwam dat?” „Die had ze uitgegooid toen wij thuis gekomen waren, omdat ze nat waren”. „Het kind is niet beneden vermoord, het heeft jelui op kousen naar boven zacht nageloopen en is boven vermoord; van dat gillen beneden, waarvan je praat, is niets waar.” Bekl.: „Dat is wel waar, wat ik verteld heb is waar.”Pres.: „’t Kan mij niet veel schelen wat je hier verklaart, de getuigenverhooren bewijzen anders.”

Bekl.: „Ik heb geen schuld aan den moord.” Bekl. heeft de geheele verklaring steeds luide sprekende, met onverschillig gelaat en brutaalweg afgelegd. Als de tweede beklaagde verhoord wordt en voor de rechtbank gaat staan, barst hij in snikken uit en legt weenende zijn verklaring af. „Ongelukkig het uur voor je,” zegt de president, „waarin je met die vrouw in aanraking kwam; je vorig leven beloofde zoo veel voor je.” Bekl. zegt dan verder dat hij reeds sedert twee jaren met Henriette Momber kennis had, eerst te Amsterdam, later te Bussum.

Hij vertelde dat hij op den 19 Aug. bij zijn meisje was gekomen en na een oogenblik in de keuken te hebben gezeten, met haar naar de huiskamer was gegaan. Daar had Henriette hem voorgesteld haar patroon te bestelen; als hij vijf centen gaf, zou zij Jansje, die boven met een vriendinnetje, Alida Blauw, .speelde, wel uitsturen. Dat is dan ook gebeurd en toen de kinderen weg waren heeft men
tevergeefs getracht boven met een linnenkast te openen. Bekl. is later; kwartier of drie weggegaan, in dien tijd zou u dienstbode dan wel zorgen (lat zg het geld had. Bekl. heeft in dien tijd een paar tapperijen bezocht, waar hij o. a. een paar vrienden ontmoette uit zijn garnizoen. Met een hunner, Hiltrop, heeft hij over den diefstal gesproken en deze is medegegaan om te, helpen.

Aan het’huis gekomen, zeide Henriette „dat zij het om de tegenwoordigheid van het kind niet had durven doen”, doch als hij ‘t nu deed, zou zij met het kind uitgaan. Dit is gebeurd en ondertusschen heeft bekl. met Hiltrop gepoogd een stuk hout tusschen de deur te steken, bij wijze van wig, doch de deur ging niet open. Bekl. heeft toen met Hiltrop het huis verlaten en is op den weg naar het station Henriette Momber tegengekomen. Zij hebben toen samen gepraat en bekl. is ‘s avonds teruggekomen.

Terwijl Momber boven was, is bekl. naar beneden gegaan, en heeft daar op raad van de dienstbode het kind eerst een zakdoek in den mond willen duwen, „dat zou niet hinderen”, maar het meisje beet hem in den vinger en toen heeft hij haar in de keel gegrepen. Zij viel neer en ontsteld, meenende het kind te hebben gedood, heeft hij het op een stoel gezet. Hij is toen boven gaan zeggen dat het kind dood was en hij maar heen zou gaan. Beklaagden hebben beneden het kind in eene houding gezet, alsof het zich in het gordijnkoord had geworgd. „Is dit nu de volle waarheid?” vraagt de president. Bekl.: „Ja, dit is de waarheid”.

Pres.: „’t Spijt me dat ge dit zegt; dit neemt veel weg van den goeden indruk, waarmee ge hier kwaamt. Het kind kan niet beneden vermoord zijn, het heeft julie nageloopen en boven overvallen.” Bekl. houdt snikkend vol de waarheid te hebben gezegd.

Ook het O.M. zegt van de verklaring niets te gelooven. Na deze verhooren wordt een half uur gepauzeerd. Als de zitting heropend wordt, wordt een aanvang gemaakt met het Getuigenverhoor. Da eerste, die gehoord wordt, is de volk-artillenst J. H. Hiltrop, in garnizoen te Amsterdam. Deze getuige heeft in den namiddag van 19 Augustus tegen halfzes, nadat hy een paar kameraden naar den trein voor Amsterdam gebracht had, Coelman in de tapperij van Bu3 ontmoet, waarna zij nog een paar tapperijen bezochten, Samen zijn zij toen naar de woning van den heer Meinders gegaan, waar get. in de laan wachtte tot Coelman terug kwam.

Zij wandelden toen den kant naar Bus op, en Coelman vertelde dat hij wilde inbreken; er was wel ƒ2000 in huis, genoeg bargerkleeren om weg te komen en had hij het geld dan liet hij de meid zitten.  Bekl. heeft toen aan get. gevraagd hem bij de diefstal te helpen, waarin hij toestemde, waarop zij weder naar de woning des heeren Meinders terugkeerden en naar de eerste etage gingen. In  de boven-voorkamer liet bekl. de gordijnen voor de ramen zakken, waarop get. met lucifers bijlichtte en bekl. een stuk hout tusschen de kastdeur en den muur duwde, maar de kast ging niet open, waarop zij de kamer verlieten en get. den bekl. afraadde verder dergelijke pogingen te doen, Get, vertelt verder dat hij ‘s avonds gezien heeft de bekl. met Henriette Momber op het Stationsplein geruimen tijd afzonderlijk heeft gesproken.

Na dat Coelman get. nog had gegroet, is hij Henriette Momber, die met Jansje Meinders reeds den weg naar huis was ingeslagen, gevolgd. Toen beklaagde ‘s avonds in de kazerne Kwam — op dezelfde kamer “.eer get. sliep, sliep ook hij — vertelde hij: ‘/dat er niet* gebeurd was, ‘/waarop get. zeide dat het goed was.

(Wordt vervolgd.)

0 0 stem
Artikelbeoordeling
Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
0
Zou graag je gedachten willen weten, s.v.p. laat een reactie achter.x
()
x